De voorzitter opent de zitting op 22/04/2021 om 18:36.
Voorzitter Chantal LAUWERS is verontschuldigd wegens ziekte, conform artikel 106, §1 DLB zal de
burgemeester het voorzitterschap waarnemen:
“Als de voorzitter om een andere reden dan de redenen, vermeld in het eerste lid, tijdelijk afwezig is of als hij bij een welbepaalde aangelegenheid betrokken partij is als vermeld in artikel 27, wijst hij de voorzitter of een lid van het vast bureau aan als zijn vervanger. Als hij geen vervanger heeft aangewezen of als de vervanger zelf tijdelijk afwezig is, dan wordt hij vervangen door de voorzitter of het lid van het vast bureau met de hoogste rang. Als de voorzitter of dat lid van het vast bureau de voorzitter niet kan vervangen, wordt het voorzitterschap waargenomen door een ander lid van het vast bureau, in volgorde van rang."
De raad voor maatschappelijk welzijn keurt de notulen van de vergadering van 25 maart 2021 goed.
Artikel 78 Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 (DLB):
De raad voor maatschappelijk welzijn kan bij reglement zijn bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.
De volgende bevoegdheden kunnen niet aan het vast bureau worden toevertrouwd:
1° de bevoegdheden die aan de raad voor maatschappelijk welzijn zijn toegewezen, vermeld in afdeling 1 en 2 van dit hoofdstuk, en de bevoegdheid tot overdracht, vermeld in het eerste lid.
Artikel 18 tot en met 39, met uitzondering van artikel 29, § 1 en § 5, artikel 36, 37 en 38, eerste lid, 7°, zijn van toepassing op de raad voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat in die bepalingen de volgende woorden worden gelezen als volgt:
2° "gemeenteraad" als "raad voor maatschappelijk welzijn".
De voorzitter van de gemeenteraad beslist tot bijeenroeping van de gemeenteraad en stelt de agenda van de vergadering op. De agenda bevat in ieder geval de punten die door het college van burgemeester en schepenen aan de voorzitter worden meegedeeld.De voorzitter is verplicht de gemeenteraad bijeen te roepen op verzoek van een derde van de zittinghebbende leden of van het college van burgemeester en schepenen.
De voorzitter is ook verplicht de gemeenteraad bijeen te roepen op verzoek van een vijfde van de zittinghebbende leden als zes weken na de datum van de vorige gemeenteraad de gemeenteraadsleden nog niet bijeengeroepen zijn. De periode van zes weken wordt geschorst van 11 juli tot en met 15 augustus.
Bij een verplichte bijeenroeping als vermeld in het tweede en het derde lid roept de voorzitter de gemeenteraad bijeen op de aangewezen dag en het aangewezen uur en met de voorgestelde agenda. Daarvoor bezorgen de gemeenteraadsleden en het college van burgemeester en schepenen voor elk punt op de agenda hun voorstel van beslissing met een toelichting aan de algemeen directeur, die de voorstellen bezorgt aan de voorzitter van de gemeenteraad.
De algemeen directeur woont de vergaderingen van de gemeenteraad bij en is verantwoordelijk voor het opstellen en het bewaren van de notulen en het zittingsverslag ervan.
De notulen en het zittingsverslag van de gemeenteraad worden, na goedkeuring, ondertekend door de voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur.
De bepalingen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn".
De notulen van de vergaderingen van de gemeenteraad vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, alsook het gevolg dat is gegeven aan de punten waarover de gemeenteraad geen beslissing heeft genomen. Ze maken melding van alle beslissingen en het resultaat van de stemmingen. Behalve bij geheime stemming, vermelden de notulen hoe elk lid gestemd heeft. Van die laatste verplichting kan worden afgeweken voor beslissingen die genomen zijn met unanimiteit.
De zittingsverslagen van de vergaderingen van de gemeenteraad vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, de essentie van de tussenkomsten en van de mondeling en schriftelijk gestelde vragen en antwoorden. De gemeenteraad kan beslissen om het zittingsverslag te vervangen door een audio- of audiovisuele opname van de openbare zitting van de gemeenteraad.
Als de gemeenteraad een aangelegenheid overeenkomstig artikel 28 in besloten vergadering behandelt, vermelden de notulen alleen de beslissingen en wordt er geen zittingsverslag opgesteld.
De bepalingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn".
/
/
/
Enig artikel.
De notulen van de vergadering van 25 maart 2021 goed te keuren.
De OCMW-raad neemt kennis van de uitnodiging van Haviland voor de algemene vergadering van Haviland van 16 juni 2021, keurt de agendapunten goed en stelt het mandaat van de gemeentelijke vertegenwoordiger vast.
Artikel 84, §1, eerste lid van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 (DLB).
Algemeen:
DLB, deel 3, titel 3 betreffende de intergemeentelijke samenwerking in het bijzonder.
Toetreding:
Het OCMW is aangesloten bij Haviland Intercommunale die werd opgericht op 24 maart 1965 bij oprichtingsakte verschenen in de Bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 16 april 1965 onder het nummer 8226 EN verlengd werd op 23 oktober 2019, verschenen in de Bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 21 november 2019 onder het nummer 19151652
Statuten:
De statuten van Haviland, voor het laatst gewijzigd door de algemene vergadering op 12 december 2018.
Vertegenwoordigers van het gemeentebestuur:
Het besluit van de gemeenteraad van 28 februari 2019 betreffende de aanduiding van mevrouw Brigitte JANSSENS als effectieve gemeentelijke vertegenwoordiger voor de algemene vergadering van Haviland en de heer Pierre VAN DEN WYNGAERT als plaatsvervangende vertegenwoordiger.
/
Per e-mail van 6 april 2021 werd het OCMW-bestuur door Haviland opgeroepen om deel te nemen aan de algemene vergadering van 16 juni 2021 om 18 uur in de kantoren van Haviland, Brusselsesteenweg 617 te 1731 Zellik of digitaal via Teams.
Agenda van de algemene vergadering van 16 juni 2021:
De toelichtingsnota's zijn als bijlage toegevoegd bij dit besluit.
Mandatering gemeentelijke vertegenwoordiger
Overeenkomstig artikel 432, derde lid, van het decreet over het lokaal bestuur dient de vaststelling van het mandaat van de vertegenwoordigers in de algemene vergadering van opdrachthoudende en dienstverlenende verenigingen te worden herhaald voor elke algemene vergadering.
De vertegenwoordiger, aangeduid in het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 februari 2019, is mevrouw Brigitte JANSSENS. De plaatsvervanger is de heer Pierre VAN DEN WYNGAERT.
Aan de raad voor maatschappelijk welzijn wordt voorgesteld om:
de vaststelling van het mandaat van de vertegenwoordigers in de algemene vergadering van Haviland van 16 juni 2021.
Gaat over tot de eerste stemming betreffende de goedkeuring van de te behandelen agendapunten van de algemene vergadering van Haviland van 16 juni 2021:
Goedgekeurd met eenparigheid van stemmen.
Gaat over tot de tweede stemming betreffende de vaststelling van het mandaat van de vertegenwoordigers in de algemene vergadering van Haviland van 16 juni 2021:
Goedgekeurd met eenparigheid van stemmen.
/
Artikel 1.
Kennis te nemen van de uitnodiging van Haviland van 6 april 2021 waarbij wordt gemeld dat een algemene vergadering in hybride vorm zal plaatsvinden op 16 juni 2021 om 18 uur en de volgende agenda goed te keuren:
Art. 2.
De effectieve vertegenwoordiger in de algemene vergadering van Haviland, of bij belet diens plaatsvervanger, die werden aangeduid door de OCMW-raad in zitting van 28 maart 2019, principieel te mandateren om de voorstellen op de agenda van de algemene vergadering van Haviland van 16 juni 2021 (of iedere andere datum waarop deze uitgesteld of verdaagd zou worden), goed te keuren, onder voorbehoud van het specifieke verloop van de besprekingen in de vergadering.
Art. 3.
Een afschrift van deze beslissing te bezorgen aan:
De raad voor maatschappelijk welzijn wijzigt de rechtspositieregeling voor het gemeente- en OCMW-personeel.
Artikel 186, §2 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 (hierna: Decreet Lokaal Bestuur).
Algemeen
Specifiek m.b.t. de voorgestelde wijzigingen
- ACV: Protocol van niet-akkoord met als vermelding:
"ACV Openbare Diensten verwijst voor het geboorteverlof naar het protocol hierover in comité C1. We zijn niet akkoord gegaan omwille van het feit dat de overheidsdelegatie wel aangekondigd had van alle ambtenaren gelijk te willen behandelen, maar in de praktijk enkel de contractuele ambtenaren van de Vlaamse Overheid de eerste tien dagen aan 100% betaald krijgen.
ACV Openbare Diensten betreurt bovendien dat de personeelsleden van het WZC Ter Biest geen andere compensatie krijgen voor de dienstvrijstelling op 24 en 31 december."- ACOD:
- VSOA: niet aanwezig
Voorstel wijziging rechtspositieregeling
Ontwerptekst zie bijlage.
Door het schepencollege en vast bureau wordt voorgesteld om de volgende wijzigingen aan de rechtspositieregeling door te voeren:
Geboorteverlof
Tot voor kort hadden werknemers het recht om 10 dagen afwezig te zijn van het werk voor de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs zijn zijde vaststaat. Het betreft het zgn. vaderschapsverlof, al geldt dit recht onder bepaalde voorwaarden ook voor de werknemer-meeouder wanneer er geen vaststelling is van de afstamming langs vaderszijde. Om die reden werd de term 'vaderschapsverlof' vervangen door de term 'geboorteverlof'.
Een recente wijziging van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft dit recht verlengd tot 15 dagen voor geboortes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021. Daarnaast voorziet de wetswijziging dat de duur van het geboorteverlof verder opgetrokken wordt tot 20 dagen voor geboortes vanaf 1 januari 2023. De overige modaliteiten inzake de opname van het geboorteverlof blijven dezelfde. Het geboorteverlof kan dus nog steeds vrij opgenomen worden binnen de 4 maanden te rekenen vanaf de dag van de bevalling.
De Arbeidsovereenkomstenwet is niet van toepassing voor statutair personeel. Voor het statutair personeel van de lokale besturen werd op 29 januari 2021 door de ministerraad het besluit Vlaamse Regering tot wijziging van artikel 136 en 209 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en artikel 99 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn principieel goedgekeurd. Dit besluit zorgt voor een uitbreiding van het geboorteverlof voor de statutaire personeelsleden van de lokale besturen, tot 15 werkdagen vanaf 1 januari 2021 en tot 20 werkdagen vanaf 1 januari 2023, overeenkomstig de nieuwe regeling voor de contractuele personeelsleden als gevolg van een wijziging van artikel 30, §2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Art. 264, §1 van de RPR bepaalt het volgende:
| Aard van de gebeurtenis | Toegestaan maximum |
| (...) | (...) |
| 2. bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk afstamt van het personeelslid | 10 werkdagen, op te nemen binnen de vier maanden vanaf de bevalling |
Door het schepencollege en vast bureau wordt voorgesteld om deze bepaling als volgt te wijzigen:
| Aard van de gebeurtenis | Toegestaan maximum |
| (...) | (...) |
| 2. bevalling van de echtgenote of samenwonende partner, of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk afstamt van het personeelslid | 15 werkdagen voor een geboorte vanaf 1 januari 2021, 20 werkdagen voor een geboorte vanaf 1 januari 2023 op te nemen binnen de vier maanden vanaf de bevalling
|
Verder wordt voorgesteld om art. 264, §2 als volgt te wijzigen:
Paragraaf 2
Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit en is in alle gevallen bezoldigd, met uitzondering van een deel van het verlof voor contractuele personeelsleden zoals omschreven in paragraaf 3. het omstandigheidsverlof voor een gebeurtenis als vermeld in het eerste lid, 2°.
De volgende beloningsregeling geldt voor het omstandigheidsverlof voor een gebeurtenis als vermeld in het eerste lid, 2°:
1° als de geboorte vanaf 1 januari 2021 plaatsvindt, heeft het statutaire personeelslid gedurende de eerste tien dagen recht op een doorbetaling van het salaris en gedurende de vijf resterende dagen recht op een brutosalaris van 82%. Om het salaris te bepalen, wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26.230 euro tegen 100%;
2° als de geboorte vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt, heeft het statutaire personeelslid gedurende de eerste tien dagen recht op een doorbetaling van het salaris en gedurende de tien resterende dagen recht op een brutosalaris van 82%. Om het salaris te bepalen, wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26.230 euro tegen 100%.
Onbetaald verlof
Overeenkomstig art. 30bis van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft het contractueel personeel het recht om van het werk afwezig te zijn om dwingende redenen. De nadere regels, in het bijzonder de duur, zijn geregeld in het koninklijk besluit van 11 oktober 1991 tot vaststelling van de nadere regelen voor de uitoefening van het recht op een verlof om dwingende reden, en latere wijzigingen.
Concreet heeft het contractueel personeel het recht om van het werk afwezig te zijn gedurende tijd die nodig is om het hoofd te bieden aan de gevolgen die voortvloeien uit de 'dwingende reden'. Onder dwingende reden moet worden verstaan elke niet te voorziene, los van het werk staande gebeurtenis die de dringende en noodzakelijke tussenkomst van de werknemer vereist en dit voor zover de uitvoering van de arbeidsovereenkomst deze tussenkomst onmogelijk maakt. Voorbeelden zijn: ziekte, ongeval of hospitalisatie overkomen aan een kind van de werknemer, ernstige materiële schade aan de bezittingen van de werknemer enz.
De duur van de afwezigheden mag tien arbeidsdagen per kalenderjaar niet overschrijden. Voor een deeltijds tewerkgestelde werknemer, wordt de duur van het verlof om dwingende redenen herleid in verhouding tot de duur van zijn arbeidsprestaties.
De Arbeidsovereenkomstenwet is niet van toepassing voor het statutair personeel. Rekening houdend hiermee werd in de RPR onder art. 266, §2 volgende bepaling opgenomen:
"Het onbetaald verlof zoals bedoeld in §1, 1° en 2° is geen recht, maar kan worden toegestaan als een gunstmaatregel, voor zover de goede werking van de dienst daardoor niet in het gedrang komt en het personeelslid zijn jaarlijkse vakantiedagen uitgeput zijn.
Indien de aanwezigheid thuis van een personeelslid noodzakelijk is:
is onbetaald verlof met een maximum van 10 werkdagen per kalenderjaar (verhoudingsgewijs in het geval van deeltijdse prestaties) een recht. De noodzakelijke aanwezigheid dient door het personeelslid bewezen te worden."
Rekening houdend met het feit dat het contractueel personeel in de bovenvermelde situaties, overeenkomstig art. 30bis van de Arbeidsovereenkomstenwet, recht heeft op verlof om dwingende redenen, wordt door het schepencollege en vast bureau voorgesteld om art. 266, §2 van de RPR als volgt te wijzigen:
"Het onbetaald verlof zoals bedoeld in §1, 1° en 2° is geen recht, maar kan worden toegestaan als een gunstmaatregel, voor zover de goede werking van de dienst daardoor niet in het gedrang komt en het personeelslid zijn jaarlijkse vakantiedagen uitgeput zijn.
Indien de aanwezigheid thuis van een statutair personeelslid noodzakelijk is:
is onbetaald verlof met een maximum van 10 werkdagen per kalenderjaar (verhoudingsgewijs in het geval van deeltijdse prestaties) een recht. De noodzakelijke aanwezigheid dient door het statutaire personeelslid bewezen te worden."
Toepassingsgebied
Art. 2, §2 van de RPR bepaalt het volgende:
"Deze rechtspositieregeling is niet van toepassing op het gesubsidieerd personeel van het onderwijs, het niet gesubsidieerd onderwijzend personeel en op vrijwilligers, jobstudenten, verenigingswerkers en monitoren. Voor hen geldt de volgende regeling: (...)".
De passage "Voor hen geldt de volgende regeling:" doet verwachten dat er voor alle groepen waarop de RPR niet van toepassing is, een verduidelijking komt van welke regeling voor hen dan wel van toepassing is, maar het onderwijspersoneel (zowel het gesubsidieerd als het niet gesubsidieerd) wordt niet vermeld. Voor het onderwijspersoneel geldt de vigerende regelgeving.
Door het schepencollege en vast bureau wordt voorgesteld om art. 2, §2 van de RPR als volgt te verduidelijken:
"Deze rechtspositieregeling is niet van toepassing op het gesubsidieerd personeel van het onderwijs, het niet gesubsidieerd onderwijzend personeel en op vrijwilligers, jobstudenten, verenigingswerkers en monitoren. Voor hen de vrijwilligers, jobstudenten, verenigingswerkers en monitoren geldt de volgende regeling: (...)".
Dienstvrijstelling
Art. 284, §1 van de RPR bepaalt het volgende:
"Het personeelslid heeft in de volgende gevallen recht op dienstvrijstelling:
(...)
11. jaarlijks vanaf 12.00 uur op 24 december en 31 december. Wie door de aard van zijn/haar functie ‘s namiddags prestaties moet leveren op de vermelde data, heeft recht op een compensatieverlof voor maximaal de duur van de prestaties."
Pas na vaststelling van de RPR werd opgemerkt dat de dienstvrijstelling op 24 en 31 december niet van toepassing is voor het zorgpersoneel en logistiek personeel van woonzorgcentrum Ter Biest. Daarnaast leidt de formulering "vanaf 12.00 uur" tot onrechtvaardigheden: bv. personeelsleden die vroeg starten, bouwen glijtijd op o.w.v. de dienstvrijstelling, in tegenstelling tot personeelsleden die later starten enz.
Door het schepencollege en vast bureau wordt voorgesteld om de RPR in overeenstemming te brengen met de realiteit en om de formulering "vanaf 12.00 uur" als volgt aan te passen:
"Het personeelslid heeft in de volgende gevallen recht op dienstvrijstelling:
(...)
11. jaarlijks vanaf 12.00 uur op basis van het werkrooster een halve dag op 24 december en 31 december. Wie door de aard van zijn/haar functie ‘s namiddags prestaties moet leveren op de vermelde data, heeft recht op een compensatieverlof voor maximaal de duur van de prestaties.
De dienstvrijstelling en regeling inzake compensatieverlof is niet van toepassing voor het zorgpersoneel en logistiek personeel van woonzorgcentrum Ter Biest."
Opvangverlof
Met het besluit van de Vlaamse Regering houdende maatregelen ten gevolge van de pandemie veroorzaakt door COVID-19 en tot wijziging van de minimale voorwaarden voor de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de provincies, zoals goedgekeurd door de ministerraad op 12 maart 2021, werden een aantal wijzigingen doorgevoerd m.b.t. het opvangverlof, pleegzorgverlof en pleegouderverlof. Om de rechtspositieregeling in overeenstemming te brengen met deze wijzigingen, wordt door het schepencollege en vast bureau voorgesteld de tekst als volgt aan te passen:
HOOFDSTUK V. OPVANGVERLOF, PLEEGZORGVERLOF EN PLEEGOUDERVERLOF
Artikel 240
Paragraaf 1
Het statutaire personeelslid heeft recht op opvangverlof (met het oog op adoptie of pleegvoogdij) overeenkomstig de bepalingen van het BVR RPR.
Het statutaire personeelslid krijgt op zijn verzoek opvangverlof als een minderjarig kind in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.
Het opvangverlof bedraagt zes weken per personeelslid. Dat verlof verhoogt met twee weken voor een adoptieouder en, voor beide adoptieouders samen:
De bijkomende weken worden onderling verdeeld als beide ouders het kind adopteren.
De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld als het opgenomen kind aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
De maximumduur van het opvangverlof wordt per personeelslid met twee weken verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.
Als maar een van de samenwonende partners het kind adopteert of de pleegvoogdij uitoefent, heeft alleen die persoon recht op het verlof.
Tijdens het opvangverlof behoudt het statutaire personeelslid het recht op zijn gebruikelijke salaris.
Het verlof begint binnen twee maanden nadat het kind is ingeschreven als deel uitmakend van het gezin.
In het kader van een interlandelijke adoptie kan het opvangverlof ook de periode bestrijken die voorafgaat aan de daadwerkelijke opvang van het geadopteerde kind in België, als die voorafgaande periode niet meer bedraagt dan vier weken en als ze wordt besteed aan de voorbereiding van de daadwerkelijke opvang van het kind.
Paragraaf 2
Het statutaire personeelslid heeft per kalenderjaar recht op zes dagen pleegzorgverlof.
Het pleegzorgverlof wordt aan het statutaire personeelslid toegekend conform artikel 30quater, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 2 tot en met 6 van het koninklijk besluit van 27 oktober 2008 betreffende de afwezigheid van het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen.
Het statutaire personeelslid heeft recht op 82% van het brutosalaris.
Het statutaire personeelslid dat is aangesteld als pleegouder heeft het recht op dienstvrijstelling voor de vervulling van verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
De duur van de dienstvrijstelling mag zes werkdagen per jaar niet overschrijden.
Bestaat het pleeggezin uit twee personeelsleden, die beiden aangesteld zijn als pleegouder, dienen deze dagen onder hen te worden verdeeld.
Paragraaf 3
In geval van langdurige pleegzorg (= de pleegzorg waarvan bij het begin duidelijk is dat het pleegkind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin zal verblijven) heeft het statutaire personeelslid dat pleegzorger is als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, een eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximaal zes weken voor de zorg van het pleegkind.
Het pleegouderverlof van zes weken van het statutaire personeelslid verhoogt met twee weken voor een pleegouder en, voor beide pleegouders samen:
De bijkomende weken worden onderling verdeeld als het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beide zijn aangesteld als pleegouder van het kind.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld als het opgenomen kind voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per pleegouder verlengd bij het gelijktijdige onthaal van meerdere minderjarige kinderen naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg.
Het verlof begint binnen twaalf maanden nadat het kind is ingeschreven als deel uitmakend van het gezin.
Tijdens de eerste drie dagen van het pleegouderverlof heeft het personeelslid recht op een doorbetaling van het salaris. Vanaf de vierde dag heeft een statutair personeelslid recht op 82% van het brutosalaris.
Paragraaf 3 4
Het contractuele personeelslid heeft recht op adoptieverlof overeenkomstig artikel 30ter van de Arbeidsovereenkomstenwet en het koninklijk besluit van 21 september 2004 betreffende het behoud van het normaal loon ten laste van de werkgever gedurende de eerste drie dagen van het adoptieverlof.
Paragraaf 4 5
Het contractuele personeelslid dat is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door de gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van l’Aide à la Jeunesse of door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand heeft het recht om afwezig te zijn voor de vervulling van verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
De duur van de afwezigheid mag zes werkdagen per jaar niet overschrijden. Tijdens deze dagen wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst en kan het personeelslid geen aanspraak maken op loon ten laste van het bestuur. Het personeelslid heeft per dag wel recht op een forfaitaire uitkering ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Bestaat het pleeggezin uit twee personeelsleden, die beiden aangesteld zijn als pleegouder, dienen deze dagen onder hen te worden verdeeld.
Voor het overige gelden de bepalingen van artikel 30quater van de Arbeidsovereenkomstenwet en de geldende uitvoeringsbesluiten.
Het contractuele personeelslid heeft recht op pleegouderverlof overeenkomstig artikel 30sexies van de Arbeidsovereenkomstenwet.
Paragraaf 5 6
Het contractuele personeelslid dat, naar aanleiding van een plaatsing in het kader van een langdurige pleegzorg (minstens 6 maanden) een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, heeft daarenboven eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken. Indien het personeelslid ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken pleegouderverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
Het pleegouderverlof van zes weken per ouder wordt als volgt opgetrokken voor de pleegouder of voor beide pleegouders samen :
Indien het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind, worden de bijkomende weken bedoeld in het tweede lid onderling tussen hen verdeeld.
Om het recht op pleegouderverlof te kunnen uitoefenen, moet dit verlof een aanvang nemen binnen twaalf maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
Het contractuele personeelslid heeft recht op pleegzorgverlof overeenkomstig artikel 30quater van de Arbeidsovereenkomstenwet en het koninklijk besluit van 27 oktober 2008 betreffende de afwezigheid van het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen.
Jaarlijkse vakantie
Het besluit van de Vlaamse Regering houdende maatregelen ten gevolge van de pandemie veroorzaakt door COVID-19 en tot wijziging van de minimale voorwaarden voor de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de provincies, zoals goedgekeurd door de ministerraad op 12 maart 2021, voorziet dat de periodes die de RVA erkent als tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ten gevolge van de pandemie, veroorzaakt door COVID-19, meetellen als periode met recht op salaris die recht geeft op jaarlijkse vakantiedagen. Om de rechtspositieregeling in overeenstemming te brengen met deze wijziging, wordt door het schepencollege en vast bureau voorgesteld de tekst als volgt aan te passen:
Artikel 234
Paragraaf 1
Elke periode met recht op salaris alsook elke periode van georganiseerde werkonderbreking en tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ten gevolge van de corona-epidemie, geeft recht op jaarlijkse vakantiedagen.
(...)
Tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ten gevolge van de COVID-19-pandemie
Het besluit van de Vlaamse Regering houdende maatregelen ten gevolge van de pandemie veroorzaakt door COVID-19 en tot wijziging van de minimale voorwaarden voor de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de provincies, zoals goedgekeurd door de ministerraad op 12 maart 2021, voorziet dat de periodes die de RVA erkent als tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ten gevolge van de pandemie, veroorzaakt door COVID-19 meetellen voor de berekening van de administratieve anciënniteiten en meetellen als werkelijke dienst.
De periodes van verlof of afwezigheid die gelijkgesteld worden met dienstactiviteit, disponibiliteit en non-activiteit zijn in de RPR opgenomen in bijlage III. Rekening houdend met het eerder vermelde besluit, wordt door het schepencollege en vast bureau voorgesteld bijlage III van de RPR als volgt te wijzigen:
| Benaming van het verlof of de afwezigheid |
Administratieve toestand |
Recht op salaris |
Aanspraak op periodieke salaris-verhoging |
Recht op schaal-anciënniteit |
Recht op loopbaan |
Recht op ziektekrediet (voor statutairen) |
Recht op jaarlijkse vakantiedagen |
| Tijdelijke werkloosheid wegens overmacht t.g.v. de pandemie, veroorzaakt door COVID-19 |
- |
Nee, wel recht op uitkering |
Ja |
Ja |
Ja |
- |
Ja |
Tekstuele aanpassingen
Op 21 april 2021 werd de aanpassing van de rechtspositieregeling voor het gemeente- en OCMW-personeel besproken tijdens de vergadering van het Bijzonder Onderhanderlings- en Hoog Overlegcomité (BOC/HOC).
Door de vakorganisaties werden bij de rechtspositieregeling volgende bemerkingen geformuleerd:
| Bemerking vakorganisaties | Aanpassing ontwerptekst |
| Onbetaald verlof: het zou logischer zijn indien hier ook zou verwezen worden naar het verlof voor dwingende redenen waar de contractuele personeelsleden conform de Arbeidsovereenkomstenwet recht op hebben. | De verwijzing naar het verlof voor dwingende redenen werd verduidelijkt door toevoeging van volgende passage aan art. 266, §2: "Het contractuele personeelslid heeft het recht om van het werk afwezig te zijn om dwingende redenen overeenkomstig art. 30bis van de Arbeidsovereenkomstenwet en het koninklijk besluit van 11 oktober 1991 tot vaststelling van de nadere regelen voor de uitoefening van het recht op een verlof om dwingende reden." |
| Dienstvrijstelling op 24 en 31 december: de gewijzigde formulering impliceert dat personeelsleden die enkel bv. werken van 10.00 tot 18.00 uur, pas vanaf 14.00 uur naar huis kunnen. | De formulering moet herbekeken worden, maar de voorgestelde wijziging blijkt toch onvoldoende. Er wordt beslist de wijziging niet door te voeren, maar eerst verder te bekijken. |
| Pleegzorgverlof: de bezoldiging voor het pleegzorgverlof is teruggebracht naar 82%. Dit is wettelijk zo geregeld, maar gezien de bezoldiging tot hiertoe 100% was, wordt gevraagd om de 100% toch te behouden als blijk van waardering naar de mensen toe. | Het besluit van de Vlaamse Regering houdende maatregelen ten gevolge van de pandemie veroorzaakt door COVID-19 en tot wijziging van de minimale voorwaarden voor de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de provincies, goedgekeurd door de ministerraad op 12 maart 2021, is duidelijk:
Art. 16. Aan hoofdstuk IV van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 januari 2009, worden een afdeling III, die bestaat uit artikel 183/1, en een afdeling IV, die bestaat uit artikel 183/2, toegevoegd, die luiden als volgt: (...)
|
De aangepaste ontwerptekst is toegevoegd als bijlage 2 (een versie met markeringen en een versie zonder).
/
Artikel 1.
De ontwerptekst van de rechtspositieregeling voor het gemeente- en OCMW-personeel, zoals toegevoegd in bijlage 2, vast te stellen.
Art. 2.
Aan de dienst Personeel de opdracht te geven om onderhavig besluit en de rechtspositieregeling, te publiceren overeenkomstig de bepalingen inzake de bekendmakings- en meldingsplicht voor lokale besturen.
De raad voor maatschappelijk welzijn beslist tot volgende formatiewijziging:
| Functietitel opgenomen in de huidige personeelsformatie | Voorstel nieuwe functietitel |
| Deskundige overheidsopdracht | Deskundige aankoop |
| Graadbenaming | Rang | Salarisschalen | vte |
| Expert ruimte | Av | A1a-A3a | 1,00 |
| Graadbenaming | Rang | Salarisschalen | vte |
| Expert wegen en water | Av | A1a-A3a | 1,00 |
| Graadbenaming | Rang | Salarisschalen | vte |
| Technisch medewerker | Cv | C1-C3 | 1,00 |
Artikel 161 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 (hierna: Decreet Lokaal Bestuur):
"De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn stellen het gezamenlijk organogram van de diensten van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vast.
Het organogram geeft de organisatiestructuur van de diensten van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn weer, duidt de gezagsverhoudingen en de functies aan waaraan het lidmaatschap van het managementteam is verbonden."
Algemeen
In verband met de vaststelling van het geïntegreerde organogram en de personeelsformatie
In verband met de syndicale overlegcomités
In het kader van de uitvoering van het meerjarenplan 2020-2025, in het bijzonder de volgende beleidsdoelstelling:
worden een aantal wijzigingen aan de personeelsformatie van de diverse afdelingen voorgesteld.
Tijdens de zitting van 24 oktober 2019 en 28 mei 2020 werd de contractuele personeelsformatie uitgebreid met 3 voltijds equivalent (vte) voor de functie van deskundige overheidsopdrachten. Met het oog op toekomstige selectieprocedures en het aantrekken van potentiële kandidaten voor deze functie, wordt voorgesteld om de functietitel te wijzigen van "deskundige overheidsopdrachten" naar "deskundige aankoop".
In de zitting van 25 april 2019 besliste de gemeenteraad om aan de contractuele personeelsformatie een voltijdse functie toe te voegen van expert wegen en water met rang Av en salarisschalen A1a-A2a-A3a. De titularis van de functie van expert wegen en water (A1a-A3a), die statutair is aangesteld, bereikt op 4 juli 2021 de normale pensioengerechtigde leeftijd, wat aanleiding geeft tot de definitieve ambtsneerlegging van het betrokken personeelslid. Naar aanleiding van de naderende pensionering van de titularis van expert wegen en water (A1a-A3a) werd de functie geëvalueerd.
De deskundigen en experts in staf van de diensten "gebouwen", "groen", en "wegen en water" ontwikkelen, ontwerpen, begeleiden en volgen alle technische projecten (nieuwbouw, renovatie, groen, wegen, rioleringen enz.) op die op het openbaar domein uitgevoerd of uitbesteed worden. het takenpakket van de deskundigen en experts bestaat verder uit o.m. volgende taken:
Voor iedere technische dienst ("gebouwen", "groen", en "wegen en water") werd 1,00 vte deskundige met rang Bv en salarisschalen B1-B2-B3 voorzien. Voor de dienst Wegen en water werd daarnaast een bijkomende expert wegen en water met rang Av en salarisschalen A1a-A2a-A3a opgenomen gelet op de complexiteit en de aard van de projecten (bv. de ondergrondse parking, werken aan de ring, ...).
Rekening houdend met het feit dat ook de diensten Gebouwen en Groen geconfronteerd worden met complexe, omvangrijke projecten, wordt voorgesteld om:
De functie van expert ruimte (A1a-A3a) zou in staf van het afdelingshoofd ruimte (A5a-A5b) worden ingeschreven.
Op 24 oktober 2019 werd een globale wijziging van de personeelsformatie doorgevoerd met het oog op de implementatie van de geïntegreerde dienstenstructuur voor gemeente en OCMW Grimbergen. In artikel 2 van dit besluit werd 2,00 vte technisch medewerker - dienst Openbare Werken verplaatst naar de uitdovend statutaire personeelsformatie van het gemeentebestuur. Bijkomend had 1,00 vte technisch medewerker - dienst Werken in Eigen Beheer moeten worden verplaatst naar de uitdovend contractuele personeelsformatie.
Aan de gemeenteraad wordt gevraagd om de bovenvermelde fout, die berust op een administratieve vergissing, recht te zetten door 1,00 vte technisch medewerker - dienst Werken in Eigen Beheer met rang Cv en salarisschalen C1-C2-C3 te schrappen uit de contractuele personeelsformatie.
/
Artikel 1.
De volgende functietitel te wijzigen:
| Functietitel opgenomen in de huidige personeelsformatie | Voorstel nieuwe functietitel |
| Deskundige overheidsopdrachten | Deskundige aankoop |
Art. 2.
De contractuele personeelsformatie van het gemeentebestuur uit te breiden met volgende functie:
| Graadbenaming | Rang | Salarisschalen | vte |
| Expert ruimte | Av | A1a-A3a | 1,00 |
Art. 3.
§1. Volgende functie te verplaatsen naar de uitdovende contractuele personeelsformatie van het gemeentebestuur:
| Graadbenaming | Rang | Salarisschalen | vte |
| Expert wegen en water | Av | A1a-A3a | 1,00 |
§2. Volgende functie te schrappen uit de contractuele personeelsformatie van het gemeentebestuur:
| Graadbenaming | Rang | Salarisschalen | vte |
| Technisch medewerker | Cv | C1-C3 | 1,00 |
De raad voor maatschappelijk welzijn stelt het reglement Geolokalisatiesysteem (track & trace) vast en beslist om het reglement toe te voegen als bijlage bij het arbeidsreglement OCMW, zoals vastgesteld bij besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 29 oktober 2014 en laatst gewijzigd op 12 december 2017.
Artikel 77 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 (hierna: Decreet Lokaal Bestuur).
Algemeen
Syndicaal overleg
Door het schepencollege wordt voorgesteld om in de gemeentelijke voertuigen een geolokalisatiesysteem (track & trace) te installeren. De aanleiding hiervoor is de wil tot het efficiënter inzetten van mensen en middelen en bijgevolg het realiseren van zowel een financiële besparing als een reductie van CO2. Daarnaast kan met een geolokalisatiesysteem worden ingezet op de veiligheid van de werknemers en het materiaal en kan de dienstverlening ten aanzien van de bevolking worden verbeterd.
Wat te verstaan onder een geolokalisatiesysteem (track & trace) in de voertuigen van de werkgever?
Een geolokalisatiesysteem is een systeem waarmee elk willekeurig object kan worden getraceerd. Het laat het bestuur toe analyses te maken aan de hand van de verkregen gegevens op basis waarvan de arbeidsorganisatie kan worden geoptimaliseerd. Het plaatsen van een geolokalisatiesysteem in voertuigen van de werkgever, is onderworpen aan een aantal waarborgen, aangezien het systeem een impact kan hebben op het recht op privacy van de werknemer op de werkvloer.
Het systeem mag niet worden gebruikt voor de controle op het respecteren van de arbeidstijd of arbeid van personeelsleden of uitsluitend om rust- en rijtijden te verkorten. De controle moet een legitiem doel hebben:
de veiligheid van de personeelsleden verbeteren;
de bescherming van de dienstwagen (bv. in geval van diefstal);
de optimalisering van het beheer van de verplaatsingen;
de controle van de prestaties van de machine;
de controle van de uitvoering van de werkopdrachten.
Doel van het geolokalisatiesysteem (track & trace)
De installatie van een geolokalisatiesysteem (track & trace) in de gemeentelijke voertuigen van de technisch uitvoerende diensten wordt voorgesteld voor het nastreven van de volgende doeleinden:
het efficiënter inzetten van mensen en middelen en bijgevolg het realiseren van zowel een financiële besparing als een reductie van CO2;
de veiligheid van de werknemers en het materiaal verhogen;
de dienstverlening ten aanzien van de bevolking verbeteren.
Het geolokalisatiesysteem zal niet aangewend worden op een wijze die onverenigbaar is met deze uitdrukkelijk omschreven doeleinden.
Proportionaliteit
Het gaat over de plaatsing van een geolokalisatiesysteem (track & trace) in de gemeentelijke voertuigen. Op dit moment kan niet worden nagegaan waar elk voertuig zich bevindt, waardoor het zeer moeilijk is om bij onvoorziene of dringende opdrachten de personeelsleden en voertuigen efficiënt in te zetten. Daarnaast kan bij ontvreemding van een gemeentelijk voertuig, op dit moment niet worden nagegaan waar het voertuig zich bevindt.
Het geolokalisatiesysteem heeft niet tot doel de personeelsleden te controleren, maar wel om de veiligheid van de personeelsleden, de voertuigen en ev. ladingen te waarborgen. Daarnaast kan de arbeidsorganisatie aan de hand van het geolokalisatiesysteem worden geoptimaliseerd met het oog op een betere dienstverlening.
Rekening houdend met het bovenstaande is de installatie van een geolokalisatiesysteem niet disproportioneel gelet op het beoogde doel, namelijk het garanderen van de veiligheid van zowel het personeel als het gemeentelijk materiaal en voertuigen en de realisatie van een betere dienstverlening door optimalisatie van de arbeidsorganisatie. Na onderzoek blijkt dat de nagestreefde doeleinden niet op een andere manier kunnen worden bereikt.
Transparantie
Indien er in de gemeentelijke voertuigen een geolokalisatiesysteem zou worden geïnstalleerd, zal er door het bestuur duidelijk gecommuniceerd worden over alle aspecten van het systeem (redenen, nagestreefde doeleinden, bewaring van de gegevens enz.). Voorafgaandelijk zal de nodige informatie meegedeeld worden aan het personeel via een personeelsnota en er zal als bijlage aan het arbeidsreglement een reglement geolokalisatiesysteem (track & trace) worden toegevoegd.
Als het geolokalisatiesysteem effectief operationeel is, zal dit eveneens duidelijk gecommuniceerd worden.
Periodes gedurende dewelke het geolokalisatiesysteem functioneert
Het geolokalisatiesysteem treedt in werking nadat de bestuurder van het voertuig zich registreert (via een badge) en het voertuig in beweging is. Gelet op het beoogde doel is dit in lijn met de hierboven geschetste vooropgestelde doeleinden.
Verwerking en bewaring van de beeldgegevens
De geolokalisatie-gegevens zijn enkel raadpleegbaar via een daartoe bestemde software.
De verkregen gegevens zullen te goeder trouw verwerkt en bewaard worden. Ze zullen enkel gebruikt worden voor de hierboven vermelde doeleinden.
Personen die toegang hebben tot de beeldgegevens
Uitsluitend de verantwoordelijke voor de verwerking of de persoon die onder zijn/haar gezag handelt, zal toegang hebben tot de geolokalisatie-gegevens. De verantwoordelijke voor de verwerking of de persoon die onder zijn/haar gezag handelt, moet alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen teneinde de toegang tot de gegevens te beveiligen tegen toegang door onbevoegden en zodoende de bescherming van de persoonsgegevens te waarborgen (o.a. beveiliging door paswoorden, beveiliging van het netwerk tegen indringing, encryptie, vertrouwelijkheidsverklaring).
De personen die toegang zullen hebben tot de beelden, zullen een discretieplicht hebben omtrent de persoonsgegevens die de geolokalisatie-gegevens opleveren, met dien verstande dat de verantwoordelijke voor de verwerking of de persoon die onder zijn/haar gezag handelt, de beelden:
kan overdragen aan de politiediensten of de gerechtelijke overheden indien men feiten vaststelt die een misdrijf kunnen vormen en de gegevens kunnen bijdragen tot het bewijzen van die feiten en het identificeren van de daders;
moet overdragen aan de politiediensten indien zij hierom verzoeken in het kader van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie en de beelden het vastgestelde misdrijf betreffen.
De aangewezen personen die toegang zullen hebben tot de geolokalisatie-gegevens zijn:
algemeen directeur;
afdelingshoofd ruimte.
Kennisname en verbetering van de gegevens
De personeelsleden zullen het recht hebben om op elk moment inzage te nemen van de geolokalisatie-gegevens die hen betreffen en, in voorkomend geval, de schrapping aan te vragen van onjuiste, onvolledige of niet (meer) relevante gegevens. Zij zullen recht hebben op bijstand van hun vakbondsafgevaardigde bij de uitoefening van dit recht.
Rekening houdend met het voorgaande werd een reglement opgemaakt en goedgekeurd door het schepencollege in zitting van 6 april 2021 (dossierstuk 2) met het oog op toevoeging als bijlage bij het arbeidsreglement.
Door de vakorganisaties werden bij het reglement volgende bemerkingen geformuleerd:
| Bemerking vakorganisaties | Aanpassing reglement |
| Het geolokalisatiesysteem mag niet worden gebruikt voor de controle op het respecteren van de arbeidstijd of arbeid van personeelsleden. In artikel 1, laatste lid van het reglement staat evenwel "de controle van de uitvoering van de werkopdrachten". Ter verduidelijking van het feit dat met deze bepaling wordt beoogd de arbeidsorganisatie efficiënter te maken, wordt gevraagd het woord "controle" te vervangen door "optimalisatie". | Er wordt ingestemd met de aanpassing van de passage "controle van de uitvoering van de werkopdrachten" naar "optimalisatie van de uitvoering van de werkopdrachten". |
| Artikel 4 van het reglement bepaalt dat enkel de algemeen directeur en het afdelingshoofd ruimte toegang hebben tot alle informatie en dan de direct leidinggevenden enkel zicht hebben op de voertuiggegevens, behoudens persoonsgegevens. Door de vakorganisaties wordt gevraagd in het reglement te verduidelijken wie deze 'direct leidinggevenden' zijn. | Wie de direct leidinggevenden precies zijn, wordt in artikel 4 verduidelijkt door volgende toevoeging: "Concreet gaat het over de titularissen van volgende functies:
|
De aangepaste ontwerptekst is toegevoegd als bijlage 3 (een versie met markeringen en een versie zonder).
Op 22 april 2021 werden door de vakorganisaties nog een aantal bijkomende vragen gesteld.
| Vragen vakorganisaties |
Antwoord bestuur |
| ACOD:
Met betrekking tot het reglement Geolokalisatiesysteem (track & trace)” heb ik toch volgende bedenking.
Is het echt noodzakelijk dat al deze leidinggevende toegang hebben tot de gegevens?
Want het gaat hier om bijna twintig personen die toegang hebben.
Kan dit niet op een andere manier geregeld worden dat dit aantal kan verminderd worden?
|
De opgesomde leidinggevenden zijn de direct leidinggevenden van de personen die een gemeentelijk voertuig besturen. Om tegemoet te komen aan de vooropgestelde doeleinden (o.a. het efficiënter inzetten van mensen en middelen) moeten de leidinggevenden snel kunnen schakelen. Toegang tot de gegevens is daartoe noodzakelijk.
|
| ACV:
Ik heb ondertussen de aangepaste teksten ook kunnen bekijken en om tegemoet te komen aan de vraag van Anja kan er misschien toegevoegd worden dat de leidinggevenden enkel toegang hebben tot de gegevens van de auto’s van de eigen dienst? Verder wil ik ook vragen om te verduidelijken wie de ‘technisch verantwoordelijke’ is, tenzij er maar één functie is met deze benaming in het bestuur. Ik stel mij ook de vraag of de meewerkende ploegbazen rechtstreeks toegang moeten krijgen, zij zijn toch mee op terrein. Is het niet enkel de coördinator die toegang dient te hebben?
|
|
Op basis hiervan werd nog een aanpassing doorgevoerd aan de ontwerptekst (bijlage 4).
Aan de gemeenteraad wordt gevraagd het reglement Geolokalisatiesysteem (track & trace) goed te keuren.
/
Artikel 1.
Het reglement Geolokalisatiesysteem (track & trace), zoals toegevoegd in bijlage 4, vast te stellen en toe te voegen als bijlage bij het arbeidsreglement OCMW, zoals vastgesteld bij besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 29 oktober 2014 en laatst gewijzigd op 12 december 2017.
Art. 2.
Aan de dienst Personeel de opdracht te geven om onderhavig besluit en het reglement Geolokalisatiesysteem (track & trace), te publiceren overeenkomstig de bepalingen inzake de bekendmakings- en meldingsplicht voor lokale besturen.
De raad voor maatschappelijk welzijn neemt kennis van de rapportering van de financieel directeur betreffende de voorafgaande krediet- en wetmatigheidscontrole.
Artikel 177 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 (DLB):
De financieel directeur staat in volle onafhankelijkheid in voor: de voorafgaande krediet- en wetmatigheidscontrole van de beslissingen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met budgettaire en financiële impact.
(…)
De financieel directeur rapporteert in volle onafhankelijkheid over de volgende aangelegenheden aan de gemeenteraad, aan de raad voor maatschappelijk welzijn, aan het college van burgemeester en schepenen, en aan het vast bureau: de vervulling van de opdrachten, vermeld in dit artikel.
(…)
Artikels 177, 265, 266 en 267 van het DLB betreffende financiële verbintenissen.
Besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 februari 2019 inzake aanpassing dagelijks bestuur en visum.
Besluit van de gemeenteraad van 30 augustus 2018 inzake aanpassing dagelijks bestuur en visum.
Besluit van de gemeenteraad van 23 september 2010 houdende de vaststelling van een nieuwe regeling inzake dagelijks bestuur en visumplicht.
/
De financieel directeur staat in volle onafhankelijkheid in voor de voorafgaande krediet- en wetmatigheidscontrole van de beslissingen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met budgettaire en financiële impact. Hierover dient de financieel directeur in volle onafhankelijkheid te rapporteren aan gemeenteraad, raad voor maatschappelijk welzijn, college van burgemeester en schepenen en aan vast bureau.
De financieel directeur onderzoekt de wettigheid en regelmatigheid van die voorgenomen verbintenissen. Hij verleent zijn visum indien uit zijn onderzoek de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenis blijkt. Hij kan voorwaarden koppelen aan zijn visum. Als de financieel directeur weigert zijn visum te verlenen, of als hij er voorwaarden aan koppelt, motiveert hij dat.
Zoals voorzien in het DLB bepaalden de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn de nadere voorwaarden waaronder de financieel directeur de controle uitoefent.
Ten gevolge van de gemeenteraadsbeslissing van 30 augustus 2018 en de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 februari 2019 werden bepaalde verbintenissen van de visumplicht vrijgesteld, waaronder onder meer uitgaven van minder dan 30.000 euro exclusief btw.
Onder verantwoordelijkheid van de financieel directeur werden voor dienstjaar 2020 in het kader van de visumplicht 101 dossiers behandeld, waarvan er 60 betrekking hadden op overheidsopdrachten en 41 op personeelsaangelegenheden. De dossiers die betrekking hadden op overheidsopdrachten vertegenwoordigden samen een bedrag van 12.593.736,10 euro. De 41 dossiers die betrekking hadden op personeelsaangelegenheden omvatten zowel nieuwe aanstellingen als verdere tewerkstellingen.
De financieel directeur beperkt er zich niet toe een visum te verlenen of te weigeren; indien nodig worden voorgelegde dossiers samen met de aanvragende dienst herwerkt. Mede hierdoor werd er in 2020 geen enkel negatief visum verleend (in het verleden gebeurde dit wel al).
Een andere belangrijke reden die kan verklaren waarom er in 2020 geen visums geweigerd werden, bestaat in de versoepeling van de visumplicht die met ingang van 2019 in het DLB werd voorzien. Vanaf dan kan een visum immers ook onder voorwaarden worden verleend. Dit impliceert bijvoorbeeld dat ook niet-gebudgetteerde uitgaven verricht kunnen worden onder voorwaarde dat de benodigde kredieten in een wijziging van het meerjarenplan opgenomen worden. De hele strikte kredietcontrole, zoals destijds voorzien in het gemeentedecreet, behoort daarmee grotendeels tot het verleden.
Het rapport van de financieel directeur van 31 maart 2021 inzake voorafgaande controle van de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenissen (visum) - bijlage.
Enig artikel.
Kennis te nemen van de rapportering van de financieel directeur, met betrekking tot dienstjaar 2020, betreffende de voorafgaande krediet- en wetmatigheidscontrole van beslissingen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met budgettaire en financiële impact.
De raad voor maatschappelijk welzijn nam kennis van de mondelinge vragen door de raadsleden op de zitting gesteld en verwijst voor de inhoud ervan naar het zittingsverslag, oftewel de audio-opname, te vinden op de gemeentelijke website.
De raad voor maatschappelijk welzijn beschikt over de volheid van bevoegdheid voor de aangelegenheden die aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn door of krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd.
De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt het beleid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en kan daarvoor algemene regels vaststellen.
De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de reglementen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vast. Die kunnen betrekking hebben op het beleid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en op het inwendige bestuur ervan.
De raad voor maatschappelijk welzijn kan bij reglement zijn bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.
De volgende bevoegdheden kunnen niet aan het vast bureau worden toevertrouwd:
1° de bevoegdheden die aan de raad voor maatschappelijk welzijn zijn toegewezen, vermeld in afdeling 1 en 2 van dit hoofdstuk, en de bevoegdheid tot overdracht, vermeld in het eerste lid.
Artikel 18 tot en met 39, met uitzondering van artikel 29, § 1 en § 5, artikel 36, 37 en 38, eerste lid, 7°, zijn van toepassing op de raad voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat in die bepalingen de volgende woorden worden gelezen als volgt:
1° "de gemeente" als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
2° "gemeenteraad" als "raad voor maatschappelijk welzijn";
3° "gemeenteraadslid" als "lid van de raad voor maatschappelijk welzijn";
4° "gemeenteraadsleden" als "leden van de raad voor maatschappelijk welzijn";
5° "college van burgemeester en schepenen" als "vast bureau";
6° "burgemeester" als "voorzitter van het vast bureau";
7° "schepen" als "lid van het vast bureau";
8° "gemeentelijke bestuursorganen" als "bestuursorganen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
9° "een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap" als "de verenigingen of vennootschappen, vermeld in deel 3, titel 4";
10° "artikel 16" als "artikel 71 juncto artikel 16";
11° "artikel 50, vijfde lid" als "artikel 83, vijfde lid".
De gemeenteraadsleden hebben het recht aan de burgemeester en aan het college van burgemeester en schepenen mondelinge en schriftelijke vragen te stellen.
Voor het stellen van een vraag als vermeld in het eerste lid, is geen toegelicht voorstel van beslissing vereist.
(...)
De zittingsverslagen van de vergaderingen van de gemeenteraad vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, de essentie van de tussenkomsten en van de mondeling en schriftelijk gestelde vragen en antwoorden. De gemeenteraad kan beslissen om het zittingsverslag te vervangen door een audio- of audiovisuele opname van de openbare zitting van de gemeenteraad.
Als de gemeenteraad een aangelegenheid overeenkomstig artikel 28 in besloten vergadering behandelt, vermelden de notulen alleen de beslissingen en wordt er geen zittingsverslag opgesteld.
De bepalingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn".
/
Raadslid Isabel GAISBAUER krijgt het woord en:
/
Enig artikel.
Kennis te nemen van de mondelinge vragen door de raadsleden ter zitting gesteld en voor de inhoud ervan te verwijzen naar het zittingsverslag, zijnde de audio-opname, te vinden op de gemeentelijke website.
De voorzitter sluit de zitting op 23/04/2021 om 00:07.
Namens RAAD VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN,
Muriel VAN SCHEL
algemeen directeur
Chris SELLESLAGH
waarnemend voorzitter raad voor maatschappelijk welzijn