De gemeenteraad keurt een aantal aanpassingen van het algemeen gemeentelijk politiereglement, zoals opgenomen in de bijgevoegde gecoördineerde versie, goed.
De gemeenteraad keurt het gewijzigde algemeen politiereglement, als Bijlage 1 bij het besluit gevoegd, goed en stelt vast dat dit vanaf 1 maart 2026 in werking treedt.
Dit reglement wordt overeenkomstig de bepalingen van “Afdeling 2. Bekendmaking en inwerkingtreding, Hoofdstuk 1. Akten van het lokaal bestuur, Titel 5. De werking van het lokaal bestuur" DLB bekendgemaakt.
Artikel 40, §3 Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017:
"De gemeenteraad stelt de gemeentelijke reglementen vast. Met behoud van de toepassing van de federale wetgeving in verband met de bevoegdheid van de gemeenteraad om politieverordeningen vast te stellen, kunnen de reglementen onder meer betrekking hebben op het gemeentelijk beleid, de gemeentelijke belastingen en retributies, en op het inwendige bestuur van de gemeente.
Een afschrift van elk reglement waarin een strafbepaling of een administratieve sanctie wordt opgenomen, wordt dadelijk verzonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en aan die van de politierechtbank."
ALGEMEEN
Artikelen 119, 119bis, 133 en 135, §2 van de nieuwe gemeentewet.
Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
SPECIFIEK
Algemeen politiereglement goedgekeurd in zitting van de gemeenteraad van 27 januari 2021, laatst gewijzigd in zitting van 29 januari 2026 (APR).
Besluit van het college van burgemeester en schepenen van 16 februari 2026 inzake wijziging algemeen politiereglement: aanpassing van hoofdstuk 9 'Stilstaan en parkeren' - Principiële goedkeuring.
/
De gemeenteraad keurde in zitting van 27 januari 2021 het algemeen politiereglement goed.
Op 23 januari 2026 werd in het Belgisch Staatsblad het koninklijk besluit van 14 januari 2026 gepubliceerd tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen (verder ‘KB 14 januari 2026’ genoemd). De nieuwe bepalingen treden in werking op 1 maart 2026.
Artikel 318 APR:
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor de inbreuken opgesomd in het Koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen, kan voorzien in gemeentelijke administratieve sancties. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke meerderjarige natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich op het grondgebied van de gemeente Grimbergen bevindt.
AANPASSEN ALS VOLGT:
Art. 318.
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor de inbreuken opgesomd in het Koninklijk besluit van 14 januari 2026 gepubliceerd tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen, kan voorzien in gemeentelijke administratieve sancties.
Dit hoofdstuk is van toepassing op elke meerderjarige natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich op het grondgebied van de gemeente Grimbergen bevindt.
In artikel 321 APR staat:
Op de openbare wegen voorzien van verhoogde inrichtingen, die aangekondigd zijn door de verkeersborden A14 en F87, of die op de kruispunten alleen aangekondigd zijn door de verkeersborden A 14, of die gelegen zijn binnen een zone afgebakend door de verkeersborden F4a en F4b, is stilstaan en parkeren verboden op deze inrichtingen, behoudens plaatselijke reglementering.
SCHRAPPEN EN DUS AANPASSING ALS VOLGT:
Art. 321. (art. 22 ter, 1, 3° KB 1/12/1975)
Dit artikel is opgeheven.
Artikel 324 APR:
Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld:
- Buiten de rijbaan op de gelijkgrondse berm of, buiten de bebouwde kommen, op eender welke berm;
- Indien het een berm betreft die de voetgangers moeten volgen, moet langs de buitenkant van de openbare weg een begaanbare strook van ten minste 1,50 meter breed vrijgelaten worden;
- Indien de berm niet breed genoeg is, moet het voertuig gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op de rijbaan opgesteld worden;
- Indien er geen bruikbare berm is, moet het voertuig op de rijbaan worden opgesteld.
AANPASSEN ALS VOLGT:
Art. 324. (art. 23.1,2° KB 1/12/1975)
Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld:
- Buiten de rijbaan op de gelijkgrondse berm of, buiten de bebouwde kommen, op eender welke berm;
- Indien het een berm betreft die de voetgangers moeten volgen, moet langs de buitenkant van de openbare weg een begaanbare strook van ten minste 1,50 meter breed vrijgelaten worden;
- Indien de berm niet breed genoeg is, moet het geparkeerd voertuig gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op de rijbaan opgesteld worden
- Indien er geen bruikbare berm is, moet het geparkeerd voertuig op de rijbaan opgesteld worden;
- Indien de berm niet breed genoeg is, moet het stilstaand voertuig opgesteld worden gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op:
- de zijdelingse strook
- de rijbaan indien er geen zijdelingse strook is.
- Indien er geen bruikbare berm is, moet het stilstaand voertuig opgesteld worden op:
- de zijdelingse strook of
- de rijbaan indien er geen zijdelingse strook is.
Artikel 326 APR:
Fietsen en tweewielige bromfietsen moeten buiten de rijbaan en de parkeerzones bedoeld in artikel 75.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken, behalve op plaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3°.f van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
AANPASSEN ALS VOLGT:
Art. 326. (art. 23.3 KB 1/12/1975)
Fietsen, voortbewegingstoestellen en tweewielige bromfietsen moeten buiten de rijbaan en de parkeerstroken bedoeld in artikel 75.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken, behalve op de plaatsen gesignaleerd zoals voorzien in de artikelen 70.2.1, 3°, f en 77.5, tweede lid van van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
De voortbewegingstoestellen die bestemd zijn voor personen met een verminderde mobiliteit mogen altijd buiten de rijbaan en die parkeerstroken opgesteld worden.
Artikel 327:
Motorfietsen mogen buiten de rijbaan en de parkeerzones bedoeld in artikel 75.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer van het gebruik van de openbare weg, opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken.
AANPASSEN ALS VOLGT:
Art. 327. (art. 23.4 KB 1/12/1975)
Motorfietsen mogen buiten de rijbaan en de parkeerstroken bedoeld in artikel 75.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer van het gebruik van de openbare weg, opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken.
Artikel 328:
Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid:
1° Op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;
2° Op de rijbaan op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter voor de oversteekplaatsen voor voetgangers en de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen;
3° In de nabijheid van de kruispunten, op minder dan 5 meter van de verlenging van de naast bijgelegen rand van de dwarsrijbaan, behoudens plaatselijke reglementering;
4° Op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten op de kruispunten, behoudens plaatselijke reglementering;
5° Op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten buiten de kruispunten behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeerslichten zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt;
6° Op minder dan 20 meter voor de verkeersborden behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeersborden zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt.
TOEVOEGEN ALS VOLGT:
Art. 328. (art. 24, lid 1 KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid:
1° Op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;
2° Op de rijbaan op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter voor de oversteekplaatsen voor voetgangers en de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen;
3° In de nabijheid van de kruispunten, op minder dan 5 meter van de verlenging van de naast bijgelegen rand van de dwarsrijbaan, behoudens plaatselijke reglementering;
4° Op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten op de kruispunten, behoudens plaatselijke reglementering;
5° Op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten buiten de kruispunten behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeerslichten zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt;
6° Op minder dan 20 meter voor de verkeersborden behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeersborden zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt.
7° Op de verhoogde inrichtingen, behoudens plaatselijke reglementering.
Artikel 329:
Het is verboden een voertuig te parkeren:
1° Op minder dan 1 meter zowel voor als achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig en op elke plaats waar het voertuig het instappen in of het wegrijden van een ander voertuig zou verhinderen;
2° Op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bord dat een autobus-, trolleybus- of tramhalte aanwijst;
3° Voor de inrij van eigendommen, behalve de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken leesbaar op die inrij is aangebracht;
4° Op elke plaats waar het voertuig de toegang tot buiten de rijbaan aangelegde parkeerplaatsen zou verhinderen;
5° Buiten de bebouwde kommen op de rijbaan van een openbare weg waarop het verkeersbord B9 is aangebracht;
6° Op de rijbaan wanneer deze verdeeld is in rijstroken, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a of E9b is aangebracht;
7° Op de rijbaan langs de gele onderbroken streep, bedoeld in artikel 75.1.2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
8° Op rijbanen met tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, wanneer twee andere voertuigen daardoor elkaar moeilijk zouden kunnen kruisen;
9° Op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen;
10° Buiten de bebouwde kommen, langs de linkerkant van een rijbaan van een openbare weg met twee rijbanen of op de middenberm die deze rijbanen scheidt.
TOEVOEGEN ALS VOLGT:
Art. 329. (art. 25.1 KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te parkeren:
1° Op minder dan 1 meter zowel voor als achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig en op elke plaats waar het voertuig het instappen in of het wegrijden van een ander voertuig zou verhinderen;
2° Op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bord dat een autobus-, trolleybus- of tramhalte aanwijst;
3° Voor de inrij van eigendommen, behalve de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken leesbaar op die inrij is aangebracht;
4° Op elke plaats waar het voertuig de toegang tot buiten de rijbaan aangelegde parkeerplaatsen zou verhinderen;
5° Buiten de bebouwde kommen op de rijbaan van een openbare weg waarop het verkeersbord B9 is aangebracht;
6° Op de rijbaan wanneer deze verdeeld is in rijstroken, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a of E9b is aangebracht;
7° Op de rijbaan langs de gele onderbroken streep, bedoeld in artikel 75.1.2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
8° Op rijbanen met tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, wanneer twee andere voertuigen daardoor elkaar moeilijk zouden kunnen kruisen;
9° Op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen;
10° Buiten de bebouwde kommen, langs de linkerkant van een rijbaan van een openbare weg met twee rijbanen of op de middenberm die deze rijbanen scheidt.
11° Op de zijdelingse stroken bedoeld in artikel 75.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
Artikel 337:
Het stilstaan of parkeren is verboden op witte markeringen bedoeld in artikel 77.5 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg die de plaatsen afbakenen waar de voertuigen moeten staan.
AANPASSEN ALS VOLGT:
Art. 337. (art. 77.5 KB 1/12/1975)
Het niet respecteren van de witte markeringen die de plaatsen afbakenen waar de voertuigen moeten staan, bedoeld in artikel 77.5 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
Op voorstel van het college van burgemeester en schepenen wordt aan de gemeenteraad gevraagd om het aangepaste algemeen politiereglement, toegevoegd als bijlage, goed te keuren.
/
Artikel 1.
Akkoord te gaan om artikels 318, 324, 326, 327, 328, 329 en 337 van het algemeen politiereglement als volgt te aan te passen:
Art. 318.
Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor de inbreuken opgesomd in het Koninklijk besluit van 14 januari 2026 gepubliceerd tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen, kan voorzien in gemeentelijke administratieve sancties.
Dit hoofdstuk is van toepassing op elke meerderjarige natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich op het grondgebied van de gemeente Grimbergen bevindt.
Art. 324. (art. 23.1,2° KB 1/12/1975)
Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld:
Art. 326.(art. 23.3 KB 1/12/1975)
Fietsen, voortbewegingstoestellen en tweewielige bromfietsen moeten buiten de rijbaan en de parkeerstroken bedoeld in artikel 75.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken, behalve op de plaatsen gesignaleerd zoals voorzien in de artikelen 70.2.1, 3°, f en 77.5, tweede lid van van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
De voortbewegingstoestellen die bestemd zijn voor personen met een verminderde mobiliteit mogen altijd buiten de rijbaan en die parkeerstroken opgesteld worden.
Art. 327. (art. 23.4 KB 1/12/1975)
Motorfietsen mogen buiten de rijbaan en de parkeerstroken bedoeld in artikel 75.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer van het gebruik van de openbare weg, opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken.
Art. 328. (art. 24, lid 1 KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid:
1° Op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;
2° Op de rijbaan op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter voor de oversteekplaatsen voor voetgangers en de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen;
3° In de nabijheid van de kruispunten, op minder dan 5 meter van de verlenging van de naast bijgelegen rand van de dwarsrijbaan, behoudens plaatselijke reglementering;
4° Op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten op de kruispunten, behoudens plaatselijke reglementering;
5° Op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten buiten de kruispunten behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeerslichten zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt;
6° Op minder dan 20 meter voor de verkeersborden behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeersborden zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt.
7° op de verhoogde inrichtingen, behoudens plaatselijke reglementering.
Art. 329. (art. 25.1 KB 1/12/1975)
1° Op minder dan 1 meter zowel voor als achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig en op elke plaats waar het voertuig het instappen in of het wegrijden van een ander voertuig zou verhinderen;
2° Op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bord dat een autobus-, trolleybus- of tramhalte aanwijst;
3° Voor de inrij van eigendommen, behalve de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken leesbaar op die inrij is aangebracht;
4° Op elke plaats waar het voertuig de toegang tot buiten de rijbaan aangelegde parkeerplaatsen zou verhinderen;
5° Buiten de bebouwde kommen op de rijbaan van een openbare weg waarop het verkeersbord B9 is aangebracht;
6° Op de rijbaan wanneer deze verdeeld is in rijstroken, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a of E9b is aangebracht;
7° Op de rijbaan langs de gele onderbroken streep, bedoeld in artikel 75.1.2° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
8° Op rijbanen met tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, wanneer twee andere voertuigen daardoor elkaar moeilijk zouden kunnen kruisen;
9° Op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen;
10° Buiten de bebouwde kommen, langs de linkerkant van een rijbaan van een openbare weg met twee rijbanen of op de middenberm die deze rijbanen scheidt.
11° Op de zijdelingse stroken bedoeld in artikel 75.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
Art. 337. (art. 77.5 KB 1/12/1975)
Het niet respecteren van de witte markeringen die de plaatsen afbakenen waar de voertuigen moeten staan, bedoeld in artikel 77.5 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
Art. 2.
Akkoord te gaan om artikel 321 te schrappen uit het algemeen politiereglement als volgt:
Art. 321. (art. 22 ter, 1, 3° KB 1/12/1975)
Dit artikel is opgeheven.
Art. 3.
Het gewijzigde algemeen politiereglement, als Bijlage 1 bij dit besluit gevoegd, goed te keuren.
Art. 4.
Vast te stellen dat het gewijzigde algemeen politiereglement, goedgekeurd in artikel 3, vanaf 1 maart 2026 in werking treedt.
Art. 5.
Dit besluit bekend te maken overeenkomstig de bepalingen van “Afdeling 2. Bekendmaking en inwerkingtreding, Hoofdstuk 1. Akten van het lokaal bestuur, Titel 5. De werking van het lokaal bestuur" DLB.
Art. 6.
Een afschrift van dit besluit over te maken aan: