De gemeenteraad vestigt een gemeentelijk retributiereglement op de exploitatie van standplaatstaxi's, 2021-2025.
Artikels 40, §3 en 41, 14° van het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 (DLB).
Besluit van 30 november 2020 van het college van burgemeester en schepenen aangaande een gemeentelijk retributiereglement op de exploitatie van standplaatstaxi's voor de aanslagjaren 2021-2025.
Advies van mevrouw Sabine CLAUS (e-mail van 10 maart 2020) en van mevrouw Olivia SOLEME (e-mail van 5 november 2020), dossiermedewerkers Vlaamse overheid - Agentschap voor Binnenlands Bestuur - Team fiscaliteit, bijgevoegd in bijlage.
De gemeente heeft momenteel twee reglementen aangaande de exploitatie van personenvervoer:
1. Het gemeentelijk belastingreglement op de exploitatie van taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder, aanslagjaren 2020-2025. Dit reglement is van toepassing op de vergunningen die nog werden uitgereikt op uiterlijk 31 december 2019 en die nog vallen onder de oude wetgeving (besluit Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende taxidiensten en diensten voor het verhuren van voertuigen met bestuurder). Deze vergunningen zijn 5 jaar geldig en blijven verder lopen onder de oude wetgeving en oude manier van belasten. Van zodra deze vergunningen vervallen zal er een nieuwe vergunning worden afgeleverd conform het nieuwe taxidecreet van 29 maart 2019 en vallen zij vanaf dat moment onder deze nieuwe regelgeving.
2. Het gemeentelijk belastingreglement op het individueel bezoldigd personenvervoer, aanslagjaren 2020-2025, is van toepassing op alle vergunningen die worden afgeleverd vanaf 1 januari 2020. Dit reglement werd op 19 december 2019 voorgelegd aan de gemeenteraad in het kader van het nieuwe taxidecreet van 29 maart 2019.
Dit laatste reglement zal vanaf 1 januari 2021 worden opgeheven naar aanleiding van de e-mail van 10 maart 2020 van mevrouw Sabine CLAUS, dossiermedewerker Vlaamse overheid - Agentschap voor Binnenlands Bestuur - Team fiscaliteit.
Overeenkomstig artikel 8, §1 van het decreet van 29 maart 2019 geven de vergunningen, uitgereikt voor de exploitatie van een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer, aanleiding tot een jaarlijkse gemeenteretributie ten laste van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die houder is van de vergunning.
Gemeenten hoeven niet noodzakelijk retributiereglementen op te maken voor de invordering van een retributie voor vergunde diensten van individueel bezoldigd personenvervoer.
Het decreet van 29 maart 2019 en het BVR van 8 november 2019 vormen een voldoende juridische basis om de decretaal opgelegde retributies door de gemeente te innen, dit betekent dat de gemeente sowieso verplicht is om de decretale retributies te innen.
Het decreet van 29 maart 2019 betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer biedt echter geen rechtsgrond voor de inning van een jaarlijkse gemeenteretributie voor de vergunningen die uitgereikt worden voor de exploitatie van standplaatstaxi’s. Voor deze vergunningen is een afzonderlijk retributiereglement nodig dat in huidig besluit wordt voorgelegd.
Raadslid Kirsten HOEFS krijgt het woord en stelt dat de fractie CD&V, analoog aan de beslissing van vorig jaar, zich zal onthouden.
/
Enig artikel.
Onderstaand reglement goed te keuren:
Gemeentelijk retributiereglement op de exploitatie van standplaatstaxi's, 2021–2025
Artikel 1.
Met ingang van 1 januari 2021 voor een termijn eindigend op 31 december 2025 wordt een jaarlijkse retributie gevestigd voor vergunningen verleend door het college van burgemeester en schepenen vanaf 1 januari 2020 voor het exploiteren van standplaatstaxi's.
Art. 2 – tarief
De niet-geïndexeerde retributie is per standplaats vastgesteld op 550,00 euro per jaar en per in de vergunning vermeld voertuig.
Het hierboven vermeld bedrag wordt aangepast volgens de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Deze aanpassing gebeurt door middel van de coëfficiënt die wordt bekomen door het indexcijfer van de maand december van het jaar voorafgaand aan het retributiejaar te delen door het indexcijfer van de maand december van het jaar 2019.
Art. 3.
Het eerste jaar is de retributie verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersonen die houder is van de vergunning op het moment van de afgifte.
Voor de daaropvolgende jaren is de retributie verschuldigd door de houder van de vergunning op 1 januari van het kalenderjaar.
Art. 4.
De retributie is verschuldigd voor het hele jaar, onafhankelijk van het moment waarop de vergunning werd verleend.
Volgende situaties geven geen aanleiding tot een aanpassing van het bedrag van de retributie zoals vastgesteld onder artikel 2:
Met eventuele wijzigingen in de vergunning wordt rekening gehouden vanaf het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de wijziging plaatsvond.
Art. 5. – wijze van invordering
De retributie wordt ingevorderd door middel van een factuur.
Zonder betalingsbewijs wordt de vergunning niet verleend.